Paard en ruiter – Aanleuning

Er is reeds gewezen op de belangrijke functie die de hand heeft. Bij al deze inwerkingen door de hand zal alleen dan met de lichtste aanwijzingen kunnen worden volstaan als het paard ´aanleuning´ genomen heeft. De ruiter die een jong paard africht, zal beginnen met door de teugels een contact tot stand brengen tussen zijn hand en de mond van het paard: de ruiter voelt met zijn handen door middel van de teugel naar de mond van het paard, waarbij de teugel licht gespannen is. Het gemaakte contact zal de ruiter ononderbroken bewaren, onafhankelijk van de bewegingen van hoofd en hals van het paard; de handen gaan dus mee met alle bewegingen zonder deze te hinderen. Wanneer het paard bijvoorbeeld de hals strekt, zullen de handen meegaan in de richting van zijn mond en op hun plaats terugkomen mét het terugkomen van hoofd en hals van het paard in de uitgangshouding.

De lichte spanning in de teugel blijft daarbij steeds bewaard en de verplaatsingen van de hand van de ruiter gaan dan ook uit van het paard en niet van de ruiter: deze bewegingen van de hand vertolken dus geen enkele intentie en zijn voor het paard dan ook van geen betekenis. Dit in tegenstelling tot de intentionele bewegingen die de ruiter met zijn handen maakt, hetzij voor aanhouden, nageven of wenden, bewegingen die dus wél een betekenis hebben: de teugelhulpen. Een teugelwerking kan pas tot het jonge paard doordringen nadat het erop attent gemaakt is dat de ruiter hem iets wil meedelen. Er spelen zich dus bij het paard twee opvolgende processen af:

1e: zijn aandacht wordt getrokken zodat het zich openstelt voor de teugelwerking;

2e: het ontvangt de teugelwerking en verwerkt de betekenis daarvan.

Er zal in de uitvoering van de gevraagde beweging dus enige vertraging zijn, die geringer wordt naarmate het paard vorderingen maakt.

De gehoorzaamheid die zo ontstaat, zou men ‘passieve gehoorzaamheid’ kunnen noemen, hetgeen wil zeggen dat het paard de wil van de ruiter volgt wanneer het daartoe gemaand wordt. Worden de aanwijzingen zo gegeven dat ze geen onaangename (pijn-)gevoelens bij het paard opwekken, dan zal het ook geen pogingen doen om zijn mond te onttrekken aan de inwerkingen van de ruiter. Integendeel, naarmate de africhting voortschrijdt, zal het paard steeds meer vertrouwen krijgen in de leidinggevende hand. Het veerkrachtig opvangen door de hand van alle bewegingen van de mond van het paard en het meegaan met die bewegingen, gecombineerd met het vloeiend geven van de aanwijzingen met de hand. Is de oorzaak van dit vertrouwen – met als eindresultaat: een zich overgeven van het paard aan de leiding die van de ruiter uitgaat.

Uit deze overgave aan de ruiter ontstaat de eenwording in beweging van hoofd en hals van het paard met hand en arm van de ruiter. Dit gaat gepaard met een meerdere spanning in de teugel die uitgaat van het paard en die door de ruiter in de hand wordt gevoeld en door hem moet worden aangenomen. Deze van het paard uitgaande spanning in de teugel is de aanleuning. Aanleuning is eigenlijk van psychische aard en heeft vertrouwen ten grondslag. Ze heeft niets te maken met snelheid van gang, met steun of met houding: ze is het worden van twee wezens (paard én ruiter) tot een eenheid (paard én ruiter).

De instelling van het paard op de ruiter is het meest volmaakt als het paard aanleuning genomen heeft. Was het eerst zo dat de ruiterhand voelde naar de mond van het paard, nu, door aanleuning te nemen, voelt de paardenmond naar de hand van de ruiter. Van het paard uitgezien komt het verschil tussen ‘contact’ en ‘aanleuning’ dus overeen met dat tussen ‘aangeraakt worden’ en ‘aanraken’; het eerste is passief en het tweede is actie. Dat wil zeggen dat het door de ruiter middels de teugel aandacht trekken van het paard (waarvan bij contact sprake was) wegvalt bij de aanleuning. De aandacht van het paard gaat nu immers al uit naar de ruiter en het paard is dus gereed om de teugelwerking te ontvangen.

Men zou kunnen zeggen dat het paard bij ‘contact’ wacht tot de ruiter een teugelaanwijzing geeft, terwijl het bij ‘aanleuning’ naar een aanwijzing vraagt, gereed om daar direct aan te gehoorzamen. Men zou dit kunnen noemen actieve gehoorzaamheid.

Een paard dat aanleuning neemt, zal dan ook elke, zelfs de geringste beweging van de hand, die een verandering in de teugelspanning ten gevolge heeft, aanvoelen en vertolken, want het paard heeft een buitengewoon scherp aanvoelingsvermogen. Kent het eenmaal bepaalde signalen die van de hand uitgaan dan zal het daaraan gehoorzamen, óók als de ruiter ze onbewust gaf.

Het spreekt wel vanzelf dat niet iedere van het paard uitgaande spanning in de teugel ‘aanleuning’ genoemd kan worden. Een paard dat tegen de teugel ingaat, zich spant tegen de teugel of erop gaat ‘hangen’, heeft weliswaar spanning in de teugel gemaakt, maar natuurlijk is dat geen aanleuning maar verzet.

Alleen een paard dat in evenwicht gaat kan aanleuning nemen. Alle skeletspieren, vanaf achterbenen tot de mond, werken dan samen ineen harmonisch verband waarin ook hand en arm van de ruiter zijn opgenomen; de spanning die de hand dan voelt, is een integrerend deel geworden van de spierspanningen die de bewegingen van het paard regelen.

De aanleuning is individueel verschillend en bij het ene paard sterker dan bij de andere. Aanleuning is nooit ‘hard’ maar maar steeds veerkrachtig. Ze is onafhankelijk van de houding van het paard en kan door hem zowel met korte als met lange hals genomen worden. Het paard hoeft daarbij niet een bepaalde houding te bewaren; het kan van houding veranderen (bijvoorbeeld door tijdens het draven de hals te strekken). Er is geen enkele reden waarom deze overgave-in-vertrouwen, die aanleuning feitelijke is, zich in galop op een andere wijze zou demonstreren dan in stap of draf. Aanleuning is dan ook in alle gangen gelijk al kan ze ook in een bepaalde gang door oorzaken van buitenaf (bijvoorbeeld meelopende paarden) beïnvloed worden. Als het paard toch sterk op invloeden van buitenaf reageert, gaat de aanleuning verloren. Pas dan wanneer het zijn aandacht op zijn berijder gericht houdt, wanneer dus de opwindende factoren zich niet meer doen gelden, kan er wederom sprake zijn van ‘aanleuning’.

Het nemen van aanleuning kan men ook noemen: het aannemen van het bit. Men gebruikt in de rijkunst nog wel andere uitdrukkingen zoals ‘aan de teugel stellen’ of ‘op de hand brengen’. Deze uitdrukkingen houden weliswaar nauw verband met het begrip ‘aanleuning’ maar in wezen verschillen ze hiervan, omdat ze geen uitdrukking geven aan een van het paard uitgaande actie: het ‘aanraken’. Zoals uiteengezet bij de bespreking van het verschil tussen contact en aanleuning; maar ‘aan de teugel stellen’ of ‘op de hand brengen’ is een gevolg van de inwerking van de ruiter. Als het paard aanleuning neemt, blijft het vrij zelf te bepalen welke houding het zal aannemen, terwijl ‘aan de teugel stellen’ al een inbreuk is op de vrijheid om zelf-gekozen houding aan te nemen; het is het begin van het plaatsen van het paard in een door de ruiter gewenste houding: het is het begin van dwang.

Na het voorstaande zal het duidelijk zijn dat wanneer de aanleuning verloren gaat, doordat het paard het bit los laat, zich oprolt of achter de teugel kruipt. Het niet de ruiter moet zijn die door de handen terug te brengen de teugelspanning herstelt, maar dat het herstel van de aanleuning moet uitgaan van het paard.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 106.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.