Paard en ruiter – De hals voorwaarts neerwaarts

De kern van paardrijden bestaat uit nuances vinden tussen ontspanning en aandrijven.

Ontspanning

De eerste hulpen die ik aan paarden en ruiters leer zijn hulpen die voorwaartse neerwaartse strekking van de hals, de nek en het hoofd van het paard helpen. Wel merk ik vaak dat de hulp in de zin van het paard helpen verkeerd wordt uitgevoerd, en als ik er met ruiters over praat is me meestal duidelijk dat ze van andere opvattingen uitgaan. In mijn zienswijze zijn hulpen in essentie handelingen die het paard; helpen om zijn evenwichtig te hervinden óf helpen zijn balans meer naar de achterhand te brengen. Dit houdt in dat de gegeven hulp feitelijk geen spanning mag oproepen. En gebeurt het toch; dat het paard direct de gelegenheid krijgt om de spanning af te vloeien, want een paard met spierspanningen, rond de hals- en rugwervels, kan nooit in evenwichtig gaan.

Dit betekent niet dat het paard ontspannen zonder voorwaartse drang zou moeten gaan. Dit is meestal het tweede misverstand. En dan een volgende misverstand; het paard van achter naar voor rijden. Ik deel deze opvatting óók, maar dan wel met de aanvulling; als de nek, de hals en de hele rug ontspannen is. Vaak zie je als paarden niet de voorwaartse-neerwaarts intentie kennen, dat ze na aandrijven houterig gaan.

Het bit

En dan het bit. Het is me door de jaren heen pijnlijk duidelijk geworden dat er vrijwel geen paard is, die met een bit in evenwicht gaat. Het paard wordt meestal geforceerd, met veel ongemak, om tot iets te komen dat de schijn van balans heeft.

De druk van het bit op de tong als de teugels doorhangen veroorzaakt sowieso al ongemak en hier opvolgend wordt via de teugels het ongemak getransformeerd in spanning. De reden is dat tong zo gevoelig is dat het paard zijn tong probeert op te tillen om pijn en tinteling te voorkomen. De inwerking op de tong, die een spier is, veroorzaakt dat de tong niet meer kan meedoen aan de cirkelgang van het natuurlijke verloop van de spier aanspanningen en zorgt er voor dat het paar paard-ruiter niet in balans zijn. Wat je kunt zien is dat ruiters hun paarden met foefjes gaan rijden, zoals de hals iets dieper en het neusbeen net achter de loodlijn met een valse knik in de hals.

De route

Paardrijden zie ik als het doorlopen van ontwikkelingsstadia, het zijn dus fases waarin het paard en de ruiter bepaalde vaardigheden leren. En met deze vaardigheden ervaringen opdoen. Dit topic gaat over de vaardigheden die de ruiter nodig heeft om in evenwicht te blijven. De eerste vaardigheid die de ruiter leert, is het instaat zijn, zijn lichaamshouding aan te passen aan krachten die op het lichaam plaats vinden, zodanig dat zijn lichaam onophoudelijk in evenwicht is. Hiervoor maak ik graag gebruik van cavaletti, lage sprongetjes, rechte lijnen, simpele wendingen en als het voorhanden is glooiing in het terrein.

Ik laat de ruiters simpele overgangen maken van draf naar stap naar halthouden en vice versa. Overgangen van draf naar galop vermijd ik in het begin liever, om onder andere spanning te voorkomen. Effectief zijn lijntjes met cavalletti en een simpel sprongetje, die in draf worden doorlopen én worden afgerond met overgangen naar halthouden. Op het moment dat de overgangen naar halthouden vloeiend gaan dan verhoog ik het sprongetje van cavalletto hoogte, ongeveer 30 centimeter, tot ongeveer 50 á 70 centimeter. Waardoor de meeste paarden in een rustige galop landen én de overgangen naar halthouden weinig moeit geven.

Wat gebeurt er tijdens het draven van een lijntje met cavalletti?

  • De ruiter leert de voorwaarts neerwaartse beweging van het hoofd en de hals te respecteren.
  • De ruiter leert de rug van het paard te ontlasten.
  • De ruiter leert een rechte lijn over de cavalletti te rijden.
  • Het paard verruimt en verheft de drafpassen de ruiter leert in de bewegingen mee te gaan.
  • De ruiter leert met het paard samenwerken.
  • De ruiter leert simpele sprongetje te maken.
  • De ruiter leert simpele overgangen van galop naar halthouden.
  • De ruiter leert galopperen.

Met deze aanpak kan de ruiter geleidelijk ervaringen met het her-vinden van zijn evenwichtig op doen, én als het paard werkelijk versneld is zijn bovenlichaam al mee in de versnelling van het paard.

Ik doe deze oefeningen óók graag met dressuurruiters, omdat het me vaak opvalt dat ze een passieve lichaams-houding hebben aangeleerd, waardoor hun houding, hun gewichtshulpen de teugel- en drijvende hulpen niet kan ondersteunen. Het is voor dressuurrijden óók van belang dat het lichaam onophoudelijk in evenwicht is. Ondanks dat de evenwichtsherstellende bewegingen tijdens dressuurrijden véél subtieler zijn, dan bij springruiters. Is het evenwicht, een belangrijk aspect van de gewichtshulp, en vanzelfsprekend voor nauwkeurige teugel- en kuithulpen.

Deze fase, het begin, helpt de ruiters om bedreven te worden in het volgen van de bewegingen, oftewel om tijdens veranderende bewegingen van het paard continu in balans te zijn. Het tempo is laag en de oefeningen vragen eigenlijk alleen simpel teugelhulpen, maar wel nauwkeurig uitgevoerd. Het gaat dus vooral om de juiste gewoonte vorming en bedreven zijn in het aanpassen van het lichaam.

De volgende fase is het vinden van het evenwicht tijdens het combineren van lichaams-, drijvende en teugelhulpen. De samenwerkende hulpen.

Hulp leren geven

Het paard helpen om in evenwicht te blijven is de kern van paardrijden. De ruiter kan zijn paard helpen met het hervinden van zijn evenwicht, hiervoor heeft de ruiter zijn hele lichaam ter beschikking, denk hierbij aan gewichts-, kuit- en teugelhulpen. De kwaliteit, de fijngevoeligheid van de hulpen is afhankelijk van de balans van de ruiter. Met andere woorden het fysieke evenwicht, de balans van de ruiter is bepalend voor de effectiviteit van de hulpen.

Feitelijk is het lichaam van de ruiter het hulpmiddel om zijn bedoelingen aan het paard duidelijk te maken. Hiervoor is het bewustzijn van de positie van het bovenlichaam, de armen én de benen van groot belang. Nadat de ruiter continu, op ieder moment zijn evenwicht aan de bewegingen van het paard kan aanpassen, kunnen meer specifieke hulpen worden aangeleerd.

De stap met doorhangende teugels

In beginsel zouden alle ruiters hun paarden tussen de oefenreeksen in stap met volledig doorhangende teugels moeten rijden. De meeste paarden worden te lang met een gespannen teugel gereden, waardoor ze zich niet kunnen ontspannen en dus verkrampen, door na elke oefenreeks toe te staan dat het paard het hoofd en de hals voorwaarts neerwaarts kan bewegen voorkom je dat het paard zich niet prettig voelt en van alles probeert om de inwerkingen van de ruiterhand te vermijden.

Het betekent niet dat de ruiters nadat de teugels doorhangen verslappen. De houding van de ruiter blijft actief en klaar om de volgende oefenreeks te beginnen. Ik leer hen een actieve basishouding aan die zonder inspanning is vol te houden. Het bovenlichaam is dan iets voor de verticaal, de armen hangen vrij uit de schoudergewrichten met een hoek iets groter dan 90 graden tussen de onder- en bovenarmen, en de handen houden de volledig doorhangende teugel net boven de schoft vast.

Teugels opnemen en verkorten

Ik begin met halthouden, overgang van stap naar draf en draven. Op het moment dat de ruiter voldoende balans heeft om vier cavalletto gevolgd met een simpel sprongetje in draf kan door lopen. Richt ik me meer op de teugelvoering. Het opnemen en verkorten van de teugels zonder naar de handen kijken is van belang, met deze vaardigheid kan de ruiter snel en vloeiend het contact met het paardenhoofd herstellen zonder dat hij het overzicht verliest.

Wendingen

Als we in een paardenbak rijden dan beweegt het paard zich eigenlijk afwisselend op een rechte lijn of in een wending. Meestal zie je dat de ruiters hun paarden vooral langs de bakrand rijden. De rechte lijn langs de bakrand loopt over in hoeken waarin het paard wordt gedwongen af te wenden. Afhankelijk van ‘hoe ver’ de ruiter de hoek in rijdt, doorloopt het paard een kwart van een cirkel met een diameter van ongeveer 6 meter. Dit vraagt veel van een onvoorbereid paard, denk maar hoe het paard zijn lichaam moet buigen. Dit is voor mij de aanleiding om in het begin de hoeken ruim te laten doorlopen.

Ik start met de hulpen voor het wenden op de grote volte, diameter 20 meter. Naarmate de ruiter de samenwerkende hulpen kan combineren verkleint hij de cirkel tot vóór het punt dat het paard uit evenwichtig raakt. Dit punt ligt in het begin bij een straal van 15 tot 12 meter. Naargelang het paard leniger wordt en de ruiter effectief kan inwerken kan de volte kleiner worden gereden. De kleinere volte wordt vergroot vóórdat het paard uit evenwicht raakt. Hierop rijdt hij geleidelijk weer naar de grote volte én laat de hals voorwaarts neerwaarts gaan.

In deze systematiek worden wendingen met de zijwaartse gaande hand gereden, dit is een hand die niet trekt. Tijdens de wending gaat de binnenhand dus van de hals af, dit is het zijwaarts gaan van de binnenhand. De buitenhand blijft aan de hals, beide handen ontvangen, dezelfde tegenkracht van het paardenhoofd. Op het moment dat het paard de nek aan de binnenzijde ontspant, de tegenkracht valt weg, verruimt de ruiter actief drijvend de volte en laat toe dat het hoofd en de hals voorwaarts neerwaarts gaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.