doelen basisniveau voorwaartse methode

Voorwaartse zit bewegingsvrijheid van de ruiter.

Bijgewerkt op 12 november 2020

Voor het verkrijgen van vaardigheden is het tijdens het opleiden van paard en ruiter van belangrijk om haalbare doelen stellen. Dit mag overduidelijk zijn. Maar, welke doelen stel je? En hoe wordt je bedreven? In dit artikel bespreek ik:

  • welke hulpen je bedreven moet zijn.
  • hoe je de hulpen op het basisniveau kunt voeren.

Ten eerste is het van belang om voor jezelf duidelijke doelen te stellen. En je af te vragen aan welke waarden deze doelen moeten voldoen.

algemene waarden

Zoals gezegd moet een methodiek aan waarden voldoen. Zijn de waarden van de voorwaartse methode óók jouw waarden?

De voorwaartse aanpak moedigt ruiters aan om het bit weg te laten. De methode is ontwikkelt om dwang via het bit te voorkomen. Vandaar dat ik bijvoorbeeld niet schrijf; ‘contact met de mond maken’, maar wel contact met het hoofd maken’.

Kernwoorden voor deze methode zijn; vrij van stress, praktisch, efficiënt en zachtheid.

In het voorgaande artikel de voorwaartse methode en opleiden vind je een algemene beschrijving van waarden voor het basisniveau van deze methodiek, zoals;

  • de voorwaartse aanpak sluiten bij de natuur van het paard aan, zodat het vrij en zonder stress is.
  • de voorwaartse opleiding sluit aan bij een praktisch doel – eenvoudig te rijden paarden.
  • de hulpen moeten duidelijk en efficiënt zijn, ze mogen het paard noch mentaal noch fysiek van streek maken. 
  • het paard opleiden zonder het geweld aan te doen.
  • ruiters bewust maken als ‘ze iets doen’. Waardoor de relatie met het paard wordt verstoort.
  • de opleiding van paard en ruiter is efficiënt. Wanneer deze aansluit bij de natuurlijke mentale en fysieke kwaliteiten van beiden.
  • de focus van het basisniveau is ‘houding en zit’ aanleren.
  • een eenvoudig te rijden paard dat voor een goed opgeleide ruiter prettig te rijden is.

Vervolgens zijn we nu toe aan de algemene doelen voor dit niveau.

gewoontevorming

Gewoontevorming is bij paardrijden op veel gebieden toepasbaar. Voorbeelden:

  • Paarden zijn gewend om met een losse teugel te gaan.
  • En paarden zijn gewend om in een gelijkmatig tempo te gaan.
  • Of paarden zijn gewend om zelf hun afzet voor de sprong te bepalen et cetera.

Gewoontevorming geeft zekerheid en houvast. En biedt paard en ruiter een structuur waarbij ze weten wat ze van elkaar kunnen verwachten. Binnen de voorwaartse methode moet het paard zelfstandig kunnen functioneren. Dit is een logische opvatting, want het paard is immers als een zelfstandig wezen geboren. Het kan dus zijn eigen inschattingen en keuzes maken.

De voorwaartse methode maakt daarom gebruik van de zelfstandige natuur van het paard. Maar het paard kan niet helemaal zijn eigen wil volgen. Want paardrijden beperkt de zelfstandigheid van hem per definitie.

geen straffen

Menselijke relaties worden deels geregeld door regels. Regels zijn voor paarden niet natuurlijke. Hij begrijpt ze eenvoudigweg niet. Uit het stellen van regels komt het ‘straffen en belonen’ voort. Straffen maakt het paard onzeker en onderdrukt het plezier. Ik ben een groot voorstander om het paard vanuit zijn natuurlijke gedrag te benaderen. En daarop te anticiperen, op wat er komen gaat. Want het vooruitzien én weten hoe te handelen is vele malen productiever dan straffen. Dus liever handelingen in de zin van ‘helpen’. Ofwel de juiste hulpen op het goede moment geven. Dit is voor mij de betekenis van ‘horsemanship’.

wel regels

Regels kunnen een beginnende ruiter helpen om te onthouden wanneer het paard zelfstandig kan handelen. Zoals bijvoorbeeld; tijdens het gaan met doorhangende teugels – dat het tempo en de te volgen route deels door het paard worden bepaald – het gaat minder ver door de hoeken van de rijbak. Of bij het gaan over cavaletti bepaalt het paard zijn lichaamshouding, paslengte en tempo zelf.

Wanneer op het paard inwerken?

Dus binnen het kader van het begin van de voorwaartse aanpak werken ruiters alleen op hun paard in als het nodig is. De paarden onderhouden bijvoorbeeld zelf een gelijkmatig tempo- Dus zonder dat de ruiter continu drijft. En op de momenten dat de ruiter wel inwerkt doet hij dat via duidelijke en eenvoudig uitgevoerde hulpen. Zoals tijdens;

  • het veranderen van het tempo van een bepaalde gang,
  • bij het maken van overgangen,
  • het halthouden,
  • wendingen rijden en
  • na de landing van een sprong.

Kracht, trekken, is ‘af en toe’ toegestaan. Want dat de beginnende ruiter nog niet in staat is om met zachte hulpen, resultaten te behalen.

Samengevat de eenvoud van het basisniveau maak het mogelijk om de ‘houding en zit’ te verbeteren. En terwijl de ruiter zich op zijn positie concentreert leert hij dat gewoonte vorming het paard vrijheid geeft en ontspannen laat bewegen. Dus effectieve gewoonte vorming is de basis om door te groeien naar complexere doelstellingen op het gevorderde niveau.

omschrijving van de hulpen op basisniveau

Het is nu wel duidelijk dat een beginner, of een iets gevorderde ruiter op basisniveau, na enige ervaring met deze methode. Zodoende op een zachte wijze invloed op het paard kan hebben. Mits dat:

samenwerking

Het paard rustig van aard is. En is opgeleid om volgzaam en rustig eenvoudige routinebewegingen uit te voeren, louter op aanwijzingen van de ruiter. De routines moet heel eenvoudig zijn. Want hoe meer er van een paard wordt gevraagd, hoe groter de kans dat het hem van streek maakt en weerstand uitlokt.

Dus de ruiter kan leren wanneer hij bepaalde acties aan het paard kan overlaten en wanneer het paard een bepaalde aanwijzingen nodig heeft.

vaardigheden

De strategie van het toepassen van de basishulpen vermijdt een continu gebruik van benen en handen. De aanpak is erop gericht, zoveel als praktisch mogelijk is, het paard zelfstandig te laten werken aan losse teugels en zonder invloed van de kuiten. Want een beginner kan niet met zijn handen en benen in zacht contact rijden, omdat hij nog onvoldoende balans heeft.

Alleen tijdens korte momenten dat de ruiter aanwijzingen geeft worden de benen of handen gebruikt. Aangezien een dergelijke aanpak voor het paard minder storend is, blijft hij rustig en meewerkend, dit stelt de ruiter in staat zich enerzijds op zijn positie te concentreren en anderzijds op de zachtheid en effectiviteit van zijn hulpen.

Het rijden met losse teugels en met passieve benen is overigens het meest efficiënte middel om het bovenlichaam, de armen en de handen van een beginner ontspannen te laten bewegen.

samenwerkende hulpen of signalen?

Op het basisniveau maakt de ruiter via signalen aan het paard duidelijk wat hij van hem verwacht. En op gevorderd niveau hebben ruiters voldoende lichaamscontrole om enkelvoudige hulpen te combineren. Hiervoor is veel oefening nodig. Dus al doende ontwikkelen ze vaardigheden om afzonderlijke hulpen op elkaar af te stemmen. Maar dit is alleen mogelijk als ruiters in het begin leren de enkelvoudige hulpen doeltreffend op het paard toe te passen.

teugelhulpen

De handen en armen worden alleen gebruikt om het paard te vertragen, te stoppen en van richting te veranderen. Want de acties van de handen en de armen kunnen ‘nog’ niet gericht zijn op een fijnere wijze van rijden.

Dus de teugelhulpen kunnen eenvoudig zijn. Sturen gaat door armbewegingen. De onderarmen gaan naar voor, naar achter of zijwaarts. En de vingers omsluiten de teugels zonder te knijpen en de polsen zorgen ervoor dat de ontspannen vuisten een rechte lijn met de onderarmen vormen. En onthoud dat stemhulpen altijd vooraf gaan aan tempo controlerende teugelhulpen.

beenhulpen

De kuiten drijven het paard voorwaarts door ze zachtjes van uit de knieën tegen de ronding van de buik te laten vallen; een beginner of basisniveau ruiter is ‘nog’ niet instaat om de kuiten aan de ronding van de buik te houden met een variatie aan druk. De kuiten worden alleen gebruikt om het paard naar stap, draf of galop te drijven, en om de snelheid van de gang te vergroten.

Pas op, één kuit wordt gebruikt om op de plaats te draaien. De kuiten kunnen op dit niveau niet voor fijnere doeleinden worden gebruikt. Stemhulpen gaan altijd vooraf aan de opdrachten van de kuiten.

de basishulpen

Ik bespreek hieronder het gebruik van de kuiten, de arm en de stemhulpen met betrekking tot de positie van het bovenlichaam. Want de positie van het bovenlichaam is in deze methode altijd iets naar voren hellend vanuit de heupgewrichten. Dit betekent dat het gewicht van het bovenlichaam meer door de beugelriemen wordt ondersteund dat door het zitvlak.

Daarom is de uitvoering van hulpen tijdens het; stappen, draven, galopperen, het overgaan van een gang naar de andere gang, halthouden, rijden van wendingen, springen van hindernissen sterk afhankelijk van de ‘houding en zit’.

In de opsomming die hierna volgt, zie je ook oefeningen die op dit niveau nog niet nodig zijn. Ik introduceer ze alvast om duidelijk te maken wat een ruiter nodig heeft om naar het gevorderde niveau door te groeien.

onderbenen

In de voorwaartse methode zijn de onderbenen belangrijk voor de balans van het bovenlichaam. Ze dragen een deel van het gewicht van het bovenlichaam. Dus voordat de ruiter kan aandrijven moet hij iets meer steunen op zijn zitvlak, waardoor de onderbenen vrij kunnen bewegen. Hierna kan hij vanuit de knieën de kuiten zachtjes tegen de ronding van de buik laten vallen.

armen en handen

Op het basisniveau van de voorwaartse methode wordt grotendeels van de tijd met losse teugels gereden. Terwijl de overgangen, tempowisselingen en wendingen de handen in zacht contact met het paardenhoofd zijn.

stem

Voordat de onderbenen of de armen inactie komen gebruikt de ruiter zijn stem om aanwijzingen te geven. Een invoelende ruiter is instaat om zijn geluid op de gemoedstoestand van het paard af te stemmen. Hij past zijn volume en intonatie aan. Kortom de klanken worden meestal langer, zoals; Stááp! Drááf! Gáálóp! Hóó! láángzáam! Vóóórúit! en zachtjes en rustig praten werkt ook goed op de gemoed rust van beide.

tijdens alle gangen

Het merendeel van de tijd wordt er met losse teugels gereden, zelfs in snelle galop. Het algemene beeld wat we graag willen zien is dat het paard zich ontspannen voortbeweegt en redelijk flegmatiek op de hulpen reageert.

stap

In stap blijft het paard constant in hetzelfde tempo, met los-vast contact tijdens gewone stap. En waar mogelijk lange doorhangende teugels.

draf

In draf blijft het paard steeds in een gelijkmatig tempo. Indien en doorloopt lange lijnen en ruime wendingen, zo vaak als mogelijk met doorhangende of los-vaste teugels.

galop

Ook in gewone galop met een gelijkmatig tempo; met losse teugels op rechte lijnen. En los-vaste teugels tijdens ruime wendingen en cirkels. Indien mogelijk los-vaste teugels tijdens ruime wendingen.

overgangen

in galop aanspringen

Het aanspringen word snel uitgevoerd. En het moment wordt ruwweg beslist, omdat de ruiters op dit niveau de samengestelde hulpen nog niet volledig op elkaar kunnen afstemmen. Het hoofd en de hals van het paard blijven recht. Hieruit volgt dat er nog geen voorkeur voor aanspringen in linker- of rechtergalop kan zijn.

De andere overgangen verlopen rustiger en vloeiend.

van galop, draf naar stap

Niet alleen met de armen maar ook met gebruik van de stem. Door met gevoel de armen rustig naar achter te bewegen en weer te geven met ondersteunend stemgeluid. Keer zo snel mogelijk terug naar losse teugels.

halthouden

Halthouden hetzelfde als ‘van galop, draf naar stap’ opdat het paard rustig en ontspannen aan lange teugels stilstaat.

van stilstaan, stap naar draf

Ook bij deze overgangen niet alleen met de armen maar ook met gebruik van de stem. De teugels eerst te ontspannen door de armen rustig naar voren te bewegen met opwekkend stemgeluid én dan de kuiten zacht tegen de ronding van de buik laten vallen. Gesteld dat het tempo te snel is dan, met gevoel de armen rustig naar achter te bewegen en weer te geven met ondersteunend stemgeluid. Nadat het tempo gelijkmatig is weer met losse teugels verder gaan.

wenden

Ruime wendingen en ruime cirkels rijden met zijwaartsgaande hand, met geven en nemen. De zijwaarts gaande hand is een armbeweging die een teugel zijwaarts brengt zonder de tegenkracht op de teugel te vergroten. Ter illustratie een wending op de linkerhand in draf. Op het moment dat de volte te ruim wordt (het paard wijkt uit naar rechts). Brengt de ruiter zijn linker onderarm naar links, wanneer de linkerschouder van het paard vooruit beweegt. Want door de zijwaarts beweging van de arm maar ook de gewichtsverplaatsing naar links van de ruiter. En daarmee treed ook een gewichtsverplaatsing bij het paard op. Met de bedoeling dat het linkervoorbeen meer richting het midden van de cirkel wordt neer gezet om in balans te blijven. Zodoende blijft het paard op de gewenste cirkel.

wenden om de voorhand

Wending om de voorhand; met los-vast contact, korte controle momenten. Is nodig op gevorderd niveau.

wenden om de achterhand

Wending om de achterhand. Is nodig op gevorderd niveau.

Achterwaarts gaan

Achterwaarts gaan tenzij het paard het op de stem doet, en niet meer dan vier stappen recht achteruit. Is nodig op gevorderd niveau.

contra-galop

Contra-galop. Is nodig op gevorderd niveau.

korte wendingen

Korte wendingen in galop. Is nodig op gevorderd niveau.

zijwaarts gaan

Zijwaartse oefeningen. Is nodig op gevorderd niveau.

springen

Springen; 70 á 90 centimeter hoge hindernis.

buiten rijden

Buitenritten; rustige wandelritten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.