Paard en ruiter – Halthouden aan het beschot

In het begin kun je het jonge paard alleen door stevige terugwerkende teugelhulpen en met de stem vertellen wanneer het moet vertragen of stoppen. Want het paard heeft nog geen tempo regelende hulpen geleerd. Je kunt het jonge paard ook met de teugel overgangen laten maken zonder dat met de teugels achteruit wordt getrokken.

Veel ruiters zijn van mening dat een paard in deze opleidingsfase alleen, met het bit, door terugwerkende handen een overgang kan maken. Ze zijn ervan overtuigd dat er geen andere optie is, aangezien het paard geen andere hulp kent. Van oudsher zijn er afhankelijk van de gevoeligheid van het jonge paard veel variaties beoefend, van het herhalen van openen en sluiten van de vingers tot met behulp van de slofteugel het hoofd richting de borst dwingen. Echter, het is verkeerd omdat de mond enorm gevoelig is, met als gevolg dat het vertrouwen wordt aangetast en zelfs dat paarden worden getraumatiseerd. Om deze redenen ben ik een groot voorstander om paarden zonder bit te rijden. De methode die ik hier presenteer sluit goed aan bij de natuurlijke mentale en fysieke mogelijkheden van paarden.

Ik hoop dat alle ruiters hun paard op deze wijze gaan opleiden. Ze zullen er uiteindelijk ervan overtuigd zijn dat deze route veel effectiever en prettiger is voor paard en ruiter.

Ik ben in de gelukkige omstandigheid geweest om verschillende natuurlijke opleidingsmethodes te leren en deze te waarderen vanwege de vele voordelen. Bij de teugelwerkingen die ik beschrijf trekken de handen nóóit in achterwaartse richting en oefenen géén hoge druk uit op het hoofd.

Bij deze benadering werken de handen aanhouden en toegevend, dus aan de teugels trekken is taboe! Ik zal proberen de voordelen van deze natuurlijke opleidingsmethode zo gedetailleerd mogelijk te beschrijven, en ruiters laten ervaren hoe logisch en natuurlijk de methode is.

Om het jonge paard een overgang te laten maken zonder de teugels naar achteren te hoeven trekken, gebruikt je de volgende teugelhulpen: je rijdt bijvoorbeeld op de hoefslag op de linkerhand en wilt een overgang van stap naar halthouden maken – de beste manier om te beginnen is vanaf het midden van de korte zijde; snijdt de hoek van de korte zijde naar de lange zijde af. Je bereidt het paard voor door je romp van iets voor de verticaal in de verticaal te plaatsen, en diep uit te ademen, beide handen stoppen met het volgen van de hoofd- en halsbeweging in de stap. De linkerhand wordt tegen de hals geplaatst (niet over de manenkam), de rechterhand wordt zijwaarts gebracht, de aanhoudende hand. Eerst overdrijf je en breng je rechterhand ver naar rechts, máár wél, alleen zijwaarts, niet tegelijkertijd achteruit. Beide teugels onderhouden hetzelfde tegenkracht met het hoofd.

Het paard kijkt nu tegen het beschot van de lange zijde en meent dat het niet verder kan. (Als je geen rijbak beschikbaar hebt, kunt je de weideafrastering of iets dergelijks als aanleuning gebruiken.) Het paard wil halthouden, tegelijkertijd gaat je romp van ‘voor de verticaal’ naar in de verticaal, waardoor zijn zwaartepunt iets naar achteren verschuift, wat het jonge paard ertoe aanzet hetzelfde te doen.

Bovendien, is het belangrijk dat je de stem gebruikt in dezelfde toon waarin het paard bij het longeren leerde het tempo te vertragen (bijvoorbeeld; een langgerekte hooooó). Als het paard stilstaat, houdt je de rechterhand nog enkele seconden van de hals. Hierna beweegt de linkerhand zijwaarts weg van de hals terwijl de rechterhand tegen de hals aanleunt aan de rechterkant. De hals van het paard is nu naar links gebogen. Je houdt de hals links gebogen, met dezelfde tegenkracht in beide teugels tot de tegenkracht wegvalt. De nek ontspant!

Zodra je voelt dat het paard in de nek ontspant, laat je de teugels volledig los. Het paard zal zijn hoofd en hals naar voren strekken. Meteen laat je het paard ijverig weg stappen, beide kuiten drukken tegelijkertijd tegen de ronding van de buik. Je rijdt in een ijverige stap met een lange teugel. Je moet ervoor zorgen dat het paard niet alleen de hals lang maakt, maar dat de stappen langer en energieker zijn, anders rijd je het paard ‘op de voorhand’.

Na een enkele ijverige stappen worden de teugels geleidelijk weer opgepakt, teugels oppakken en inkorten, tot dezelfde tegenkracht als voor de overgang naar halthouden. Tijdens het aannemen van de teugels mag de stap niet onregelmatig of overhaast zijn. Deze overgangen van stap naar halthouden worden keer op keer met beide handen beoefend. Je moet jezelf constant controleren: de handen mogen echt nooit achteruit trekken, maar alleen zijwaarts bewegen, en de tegenkracht moet in beide teugels altijd hetzelfde blijven.

Meestal begrijpt het paard deze oefening na enkele malen herhalen, het stopt zodra je de hals naar buiten, naar het beschot buigt. Het daaropvolgende ontspannen van de nek is eigenlijk nog geen intentie tot hals strekken, omdat je metéén, direct, de teugels loslaat bij ontspanning van de nek (de aanhoudende en loslatende ruiterhand). Maar dit brengt het jonge paard ertoe vol vertrouwen de weg naar beneden te zoeken. Na verloop van tijd neemt het paard de teugels uit je handen mee, en zelfs later als de spieren ontspannen zijn neemt het paard in vertrouwen de teugels in aanleuning mee naar beneden (de aanhoudende en volgende ruiterhand).

Om misverstanden te voorkomen: gebruik je eerst alleen de aanhoudende, zijwaarts gaande en loslatende ruiterhand, je stem en breng je je romp in de verticaal. Als je de juiste kuithulpen zou geven om de hele lengte van het paard te buigen, zou je het jonge paard alleen verwarren.

Tot nu toe is er maar één kuit actief: de kuit aan de buitenkant, dit is in deze oefening, de kuit aan de binnenzijde van de hoefslag. Met deze kuit voorkom je dat de achterhand doordraait als je je binnenhand, de hand langs het beschot, zijwaarts beweegt. De kuit aan de buitenkant heeft een begrenzende inwerking om te voorkomen dat het paard één pas of meer zijwaarts maakt.

Wat is de buitenkant en de binnenkant van het paard? Een paard kan een lengtebuiging naar links of naar rechts hebben, als een paard een lengtebuiging naar rechts heeft, zie je als je het paard van boven bekijkt dat de hals naar rechts is gebogen. In het lichaam is dan ook een buiging zichtbaar. In dit voorbeeld is de rechterkant van het paardenlichaam hol, dit noemen we de binnenkant van het paard. En de linkerkant is bol, dit noemen we de buitenkant van het paard.

Waarom in dit stadium nog geen lengtebuiging? Als je de buitenkuit verder iets verder naar achter legt, en met de binnenkuit op het begin van de ronding van de buik zou drukken om de juiste lengtebuiging te bereiken, zal het jonge paard nog geen verschil merken tussen de voorwaartse en zijwaartse kuitdruk. Het zou alleen maar sneller worden en dienovereenkomstig tegen de hand in gaan. Om verwarring te voorkomen, worden dus voorlopig alleen de aanhoudende hand gebruikt om een overgang van stap naar halthouden te maken.

Aanwijzingen halt houden aan het beschot in het kort:

  • bereidt het paard voor door je romp van iets voor de verticaal in de verticaal te plaatsen,
  • beide handen stoppen met het volgen van de hoofd- en halsbeweging, adem uit tegelijk met een langgerekt: hooooó,
  • de buitenhand wordt tegen de hals geplaatst, de binnenhand wordt zijwaarts gebracht,
  • nadat het paard halthoud, houdt binnenteugel een enkele seconde aan,
  • hierna beweegt de binnenteugel naar de hals, tegelijkertijd beweegt de buitenteugel van de hals totdat de hals naar buiten is gebogen,
  • op het moment dat de tegenkracht wegvalt (nek- en halsspieren ontspannen zich) laat je de teugels helemaal los (hoofd en hals strekken),
  • zeg: stap (als het nodig is klop je met beide hakken voorzichtig tegen de buik), moedig het paard aan om ijverig weg stappen.

Dit artikel is gebaseerd op: A. Paalman Springreiten pagina 153.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.