Paard en ruiter – Samenwerkende hulpen

De ruiter kan door middel van zijn kuiten en handen aan het paard duidelijk maken wat hij wil. De kuiten hebben een ondersteunde taak (denk aan; stelling, tempo en takt) én voorwaarts drijvende werking. De handen geven het tempo, de richting en de mate van verzameling aan.

De inwerking van de kuiten, handen en romp komen er dus op neer dat:

1. de kuiten een zelfbeweging van het paard oproepen,

2. de handen de opgeroepen beweging regelen en richten en

3. de romp de bewegingen van het paard begeleidt.

Daar paardrijden alleen mogelijk is bij een paard in beweging is de meest elementaire, tevens belangrijkste inwerking van de ruiter op het paard aandrijven.

Wanneer men vraagt; ‘Wat is aandrijven eigenlijk’ dan zal het antwoord in negen van de tien gevallen luiden; ‘Knijpen met de kuiten’. Hiermee is wel gezegd hoe men aandrijft maar niet wat aandrijven nu eigenlijk is.

Aandrijven is primair een uiting van de wil van de ruiter om voorwaarts te gaan of, in beweging zijnde, de gang te versnellen. Hij maakt die wil kenbaar door het aandrukken van de kuiten en zal door met de hand de spanning in de teugels iets verminderen, aan het paard onbelemmerend toestaan zich voorwaarts te bewegen, respectievelijk sneller te gaan.

In het begin moeten de handen toestaan wat door de inwerking van de kuiten wordt gevraagd. In een gevorderd stadium van de dressuur zal het voorkomen dat de kuiten meerdere inspanning vragen van het paard en dat de handen niet toestaan dat de opgewekte grotere activiteit zich op natuurlijke wijze uit in sneller gaan. De hand vangt dus de voorwaartse drang op: ze biedt weerstand aan de voorwaartse beweging; de opgewekte meerdere activiteit uit zich nu niet in snelheid maar in meer verheven gangen.

Samenwerken van de elkaar tegengestelde hulpen: aandrijven en weerstand bieden, geeft alleen dan een goed resultaat als de ruiter begrijpt en voelt wat het verschil is tussen de werking van de handen bij; a) opvangen en weerstand bieden en bij b) trekken. Zonder dit begrip en dit gevoel is het niet mogelijk een paard ‘van achteren naar voren’ te rijden, laat staan het een sierlijke houding op te leggen. Is de gewenste houding verkregen en vallen daarna de samenwerkende hulpen voor die houding vereist waren weg, dan is het paard vrij een andere meer natuurlijke houding aan te nemen. Ook het geven van de gewichtshulp zal in overeenstemming moeten zijn met de andere hulpen. ( Er werd reeds op gewezen dat het al of niet geven van de gewichtshulpen in sommige gevallen kan beslissen of een beweging al of niet wordt uitgevoerd.)

Hoe gecompliceerd de verschillende hulpen in onderling verband zijn, zoals bijvoorbeeld het rijden van zijgangen, hoger zullen de eisen zijn die gesteld worden aan de rijtechniek en het gevoel van de ruiter. Rijkunst is niet mogelijk zonder rijkunstig gevoel.

De juiste samenwerking van de hulpen leid tot:

1. evenwicht,

2. aanleuning,

3. impuls.

Deze drie begrippen treft men veelvuldig aan in rijkunstige verhandelingen. Ze zijn moeilijk onder woorden te brengen; de volgende beschouwingen mogen dienen als een poging daar toe.



Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 103.

Uit bovenstaande is op te maken:

  • Dat de houding, het lichaamsgebruik, van de ruiter volledig ten dienste staat de communicatie met het paard, die gaat via de kuiten en de handen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.