Paard en ruiter – Zwaartepunt en evenwicht

De zit suggereert vaak bij ruiters, het zitten in het zadel als een statische zithouding. Ik wil benadrukken dat de houding dynamisch moet zijn. De ruiter moet instaat zijn om de verbinding tussen het zitvlak en het zadel voortduren af te stemmen op de balancerende bewegingen van het bovenlichaam.

Het bewaren van het evenwicht op een ondersteuning die in beweging is, wordt al van de ruiter gevraagd de eerste maal dat hij te paard stijgt. Men vergelijkt dit wel met het balanceren van een stok op de hand. Wordt de hand stilgehouden en staat de stok volkomen verticaal dan valt de loodlijn uit het zwaartepunt* binnen het steunpunt en de stok blijft in evenwicht.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 197.

* Het zwaartepunt van een mens is het punt waar van de mens in evenwicht is. In dit punt wordt in de natuurkunde de zwaartekracht gedacht aan te grijpen.

Wordt de hand bewogen doordat je gaat lopen, dan ontstaan er twee krachten, de zwaartekracht en een tegenkracht van de hand in beweging, hierdoor valt de stok achterover. Dit zal niet gebeuren als op het zwaartepunt van de stok een kracht naar voren zou inwerken die het een snelheid zou geven evenwijdig en gelijk aan die van de hand. Deze kracht kun je laten optreden door de stok een kleine helling naar voren te geven. Omdat dit voorover hellen intussen overgaat in een toenemende snelheid ten gevolge van het voorover vallen moet ter compensatie een tegen rotatie gegeven worden, met andere woorden je moet met de hand kleine balancerende bewegingen naar voren maken.

Het balanceren van de stok op de hand komt overeen met het balanceren van het bovenlichaam van de ruiter. Op een stilstaand paard is het lichaam van de ruiter, van een zijkant bekeken in evenwicht*.

* Het lichaam is, het paard staat stil, in evenwicht als; het oor, de schouder, de heup en de enkel in de verticaal liggen.

Tijdens een overgang bijvoorbeeld van stap naar draf, dit is een versnelling, voelt de ruiter een kracht naar achteren waardoor het bovenlichaam als het ware achter op de beweging is, er is onbalans ontstaan. Het oor, de schouder zijn achter de verticaal en enkel is voor de verticaal verplaatst.

Om in dynamische evenwicht te blijven moet de ruiter tijdens de overgang het boven lichaam iets voor de verticaal verplaatsen. Het bovenlichaam heeft dan een kleine helling naar voren.

Bij een ruiter die te paard zit hebben bekken en de benen een directe ondersteuning door aansluiting aan het paardenlichaam. Maar dat deel van het lichaam dat boven de heup ligt moet in evenwicht gehouden worden boven het steunvlak. Gaat het paard voorwaarts, dan gaat ook dit steunvlak voorwaarts en heeft de romp de neiging om achter te blijven, zoals bij de stok het geval was. Deze neiging om achter te blijven kan de ruiter bij het voorwaarts gaan in stap gemakkelijk overwinnen door zijn spierkracht. Gaat het paard echter vanuit stilstand in een snelle galop aan, zoals bijvoorbeeld bij de start voor een ren, dan zal de ruiter beginnen met de romp voorover te laten hellen om daarna door meer oprichten van de romp voorover vallen te voorkomen.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 198.

Het bovenlichaam van de ruiter beweegt zich van een zijkant beken, idealiter, afhankelijk van de versnelling ofwel de snelheid, van vóór tot in de verticaal en vice versa, dus nooit achter de verticaal. Het bovenlichaam beweegt zich dus richting de schoft totdat het in balans is met de tegenkracht van de versnelling.

Hetzelfde doet zich voor bij alle verandering van snelheid, dus ook bij het verminderen van snelheid of halthouden. Bij vermindering van de snelheid zul je op het bovenlichaam een kracht vooruit ondervinden, om dit te compenseren moet je het bovenlichaam naar achteren bewegen.

Maar niet alleen bij verandering van snelheid, ook bij verandering in richting van de beweging. Zoals in verticale richting als je een helling op of af gaat. En in horizontale richting als je een wending rijdt, zal aanpassing van het bovenlichaam nodig zijn om het evenwicht te bewaren.

Natuurlijk gaat de vergelijking tussen het balanceren van een stok op de hand en het balanceren van de ruiter op het paard niet helemaal op. Bij de stok moest elke dreigende evenwichtsverstoring worden opgevangen door aanpassingen van het steunvlak, bij de ruiter wordt het steunvlak bewogen en moet een dreigende evenwichtsverstoring worden opgevangen door aanpassingen van de ruiter.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 199.

Het steunvlak van de ruiter, ofwel het contactvlak met het zadel bestaat uit twee zitbeenderen en twee boven beenderen, allen omgeven met spierweefsel. Als alle lichaamsdelen van de ruiter in de verticaal zijn hebben de zitbeenderen contact met het zadel. Als het bovenlichaam richting de schoft verplaatst komt er een moment dat de zitbeenderen los van het zadel zijn. De bovenbenen vinden dan steun op de knieën, de knieën vinden via de onderbenen steun op de beugels. In de situatie dat de zitbeenderen los van het zadel zijn; verandert het contactvlak, de binnenzijde van de knieën en die van de bovenbenen liggen tegen het zadel.

De stok die gebalanceerd werd, had een steunvlak niet groter dan de punt van deze stok. De zit van de ruiter geeft aan diens romp een groter steunvlak; de breedte ervan wordt aan de achterzijde bepaald door de zitbeenknobbels*, de lengte wordt bepaald door de horizontale projectie van het dijbeen, en de breedte van het steunvlak aan de voorzijde wordt bepaald door de afstand tussen de knieën. Het steunvlak van de romp van een ruiter die zonder beugels of met lange beugelriemen rijdt is dan ook korter dan dat van een ruiter met korte beugelriemen. Deze ruiter zal het zwaartepunt van de romp verder naar voren kunnen verplaatsen zonder voorover te vallen, dan de ruiter met lange beugelriemen.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 199.

* In werkelijkheid zijn zitbeenknobbels; beenderen die gevormd zijn als poten van een schommelstoel.

De ligging van het bovenbeen bepaalt dus de bewegingsmogelijkheden van het bovenlichaam in voorwaartse richting. Als de knieën dicht bij de verticaal liggen dan is het lichaam, bij een voorwaartse verplaatsing van het bovenlichaam eerder in onbalans dan als de knieën verder weg van de verticaal; het oor, de schouder, de heup en de enkel liggen.

De zit met lange stijgbeugelriemen, dus klein steunvlak, voldoet bij dressuur rijden, waarbij veranderingen in snelheid gering zijn en veranderingen in verticale zin normaal niet voorkomen. Bij campagne rijden (terreinrijden) echter zijn de zowel veranderingen van snelheid als van verticale zin groot. De verschuivingen van het zwaartepunt van de romp van de ruiter vergeleken met het steunvlak zijn hier groter en een groter steunvlak zal dan ook een vastere zit geven. Zodat het logisch is dat bij het campagne rijden de beugelriemen korter zijn dan bij dressuur rijden.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 199.

Bij het springen zal de ruiter de rotatie* van het paard niet mogen beïnvloeden door inwerking van zijn gewicht. Hij kan dit het beste vermijden door tijdens de sprong zo weinig mogelijk aanraking te hebben met zijn paard zodat dit vrij onder hem basculeren kan. Dit bereikt hij door zijn zitvlak een weinig uit het zadel te nemen en op de beugels te gaan staan. Door de steun op de beugel en de aansluiting aan het zadel hebben de knieën een vaste ligging en kunnen vervolgens de steunpunten vormen, waarop dat deel van het lichaam van de ruiter dat boven de knie in evenwicht gehouden moet worden.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 202.

*het verloop van de parabool tijdens de vlucht van de sprong.

Het principe van zo weinig mogelijk aanraking met het lichaam hebben, is de basis van de opleidingsmethode die ik elders beschrijf. Ik zie veel voordelen in het ontlasten van de rug van het paard:

  • Jonge, stijve en paarden met ongetrainde ruggen zijn door verlichting beter instaat om hun rug te welven en de dragende fase van de achterhand te verlengen.
  • Ruiters zijn beter instaat om in evenwicht te blijven, versnellingen en vertragingen van snelheid met hun lichaam te volgen.
  • Ruiters zijn beter instaat, zonder terug werkende krachten de hoofd- halshouding te volgen.
  • De nuances van gewichtshulpen krijgen meer betekenis voor het paard.
  • De inwerking van de hulpen is effectiever en zachter.
  • De ruiter kan naadloos zijn zwaartepunt verplaatsen, het raakvlak van het zitvlak vergroten als het paard meer gaat dragen met de achterhand, het verzamelen.

Daar de ruiter zowel voor, tijdens én na de sprong zijn paard op geen enkele wijze zal mogen hinderen in het vrije gebruik van hoofd en hals. En dus geen steun mag zoeken in de teugels bij het bewaren van zijn evenwicht zal hij zijn houding voortdurend zo moeten veranderen dat hij zogenaamd ‘in de beweging’ is, dus niet voor is en ook niet achterblijft. Hetgeen geschiedt door scharnierende bewegingen in knie- en heupgewrichten.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 202.

Bij het aanrijden op de hindernis heeft het zwaartepunt van de ruiter dezelfde snelheid als zijn steunvlak respectievelijk steunpunt, zodat zijn zwaartepunt loodrecht hierboven gelegen is. Als het paard zich opricht voor de afzet moet de ruiter zijn zwaartepunt naar voren verplaatsen vergeleken met zijn steunpunt, anders blijft hij achter bij de afzet! Als de hindernis genaderd wordt terwijl de ruiter zit (verlichte zit), zal hij nu bij het naar voren brengen van de romp zijn zitvlak uit het zadel lichten. Op dit moment wordt zijn steunvlak teruggebracht tot twee steunpunten (de knieën), welke gedurende het verdere verloop van de sprong zijn enige ondersteuning blijven. In de op de afzet volgende fase van de sprong zal de ruiter zijn zwaartepunt iets terugbrengen, om bij de landing niet voorover te vallen. Van belang voor het bewaren van het evenwicht is dus de plaats van het zwaartepunt van de ruiter vergeleken met diens steunpunt(en). Het zwaartepunt van het paard heeft daarmee niets uitstaande, zo min als het zwaartepunt van de stok iets te maken heeft met het zwaartepunt van de man die de stok op zijn hand balanceert.

Bron: Ken uw paard H.Treffers pagina 202.

De effecten verlichte zit op de lichamelijke bewegelijkheid van het paardenlichaam tijdens overgangen; waar de knieën het enige steunpunt zijn ín combinatie met het bovenlichaam in dynamische balans, zijn enorm: fysiek komen de paarden tot ontspanning, ze herwinnen evenwicht, cadans en afdruk. Bijvoorbeeld tijdens overgangen van draf naar stap is zichtbaar dat de achter benen meer gaan dragen, de draagfase wordt langer. De bovenlijn, vanaf neus tot de kroep van het paard verlengen en deinen onbelemmerd. De overgangen kunnen gereden worden met de loslatende of de volgende ruiterhand.

Het door het begrip van het zwaartepunt en de natuurlijke krachten die in dit punt samenkomen kan een ruiter beter voorzien welke houding effectief is tijdens een bepaalde beweging.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.